Dag 38 – Waar zijn jullie

Het is een lang verhaal, dat van Jezus’ laatste uren voor zijn dood. Ik voeg daar zelf geen woorden aan toe, maar deel in plaats daarvan een gedicht van Margreet Spoelstra, uit het boekje ‘Blijf bij me. Een kruisweg naar Marcus’ met afbeeldingen van Gerard Ursum. (Dank aan Tineke, die het me stuurde!)

Beluister hier de gesproken versie:

OPENING

Gezegend zijt Gij, God,
koning der wereld,
die de morgen ontbood
en het licht hebt geroepen,
zegen ook mij
met uw licht!

LIED

In stille nacht, houdt hij de wacht
waar alle anderen slapen.
De ogen zwaar, de harten moe,
hebben wij Hem verlaten.

Waarom blijft niet het laatste lied
in onze harten hangen?
De lofzang klonk, maar is verstomd.
De dood houdt ons omvangen.

De beker vol van vreugdewijn
heeft Hij met ons gedronken.
Een bittere kelk vol eenzaamheid
hebben wij Hem geschonken.

In stille nacht heeft Hij volbracht
de doortocht voor ons leven.
De nieuwe morgen van Gods trouw
heeft Hij aan ons gegeven.

Tot aan het einde van de tijd
zal ik zijn wachtwoord horen:
Waakt dan en bidt! Zo blijft Hij mij,
en ik Hem toebehoren.

(Tekst: Sytze de Vries / Uitgevoerd door: Vocaal Theologen Ensemble)

LEZING

Marcus 14:12-52
Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood, wanneer het pesachlam wordt geslacht, zeiden zijn leerlingen tegen hem: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen gaan treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’ Hij stuurde twee van zijn leerlingen op pad en zei tegen hen: ‘Ga naar de stad. Daar zal een man die een kruik water draagt jullie tegemoet komen; volg hem, en wanneer hij ergens binnengaat, moeten jullie tegen de heer des huizes zeggen: “De meester vraagt: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’” Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen, die al is ingericht en waar alles gereedstaat; maak daar het pesachmaal voor ons klaar.’ De leerlingen vertrokken naar de stad, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal. Toen de avond was gevallen, kwam hij met de twaalf. Terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, zei Jezus: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie, die met mij eet, zal mij uitleveren.’ Ze werden bedroefd en vroegen een voor een aan hem: ‘Ik ben het toch niet?’ Maar hij zei tegen hen: ‘Het is een van jullie twaalf, die met mij uit dezelfde kom eet. Want de Mensenzoon zal heengaan zoals over hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’ Terwijl ze aten, nam hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is mijn lichaam.’ En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. Hij zei tegen hen: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt. Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.’ Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg. Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen zullen uiteengedreven worden.” Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea.’ Petrus zei tegen hem: ‘Misschien zal iedereen ten val komen, maar ik niet!’ Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: juist jij zult me vannacht, nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, driemaal verloochenen.’ Maar Petrus hield met grote stelligheid vol: ‘Al zou ik met u moeten sterven, ik zal u nooit verloochenen.’ Alle anderen zeiden iets dergelijks.

Ze kwamen bij een plek die Getsemane heette, en hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Blijven jullie hier zitten, terwijl ik ga bidden.’ Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden en zei tegen hen: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier waken.’ Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. Hij zei: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.’ Hij liep terug en zag dat zijn leerlingen lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken? Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’ Weer ging hij weg om te bidden, met dezelfde woorden als daarvoor. Toen hij weer terugkwam, lagen ze opnieuw te slapen, want hun ogen vielen steeds dicht, en ze wisten niet wat ze hem moesten antwoorden. Toen hij voor de derde maal terugkwam, zei hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is zover: het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. Sta op, laten we gaan; kijk, hij die me uitlevert, is al vlakbij.’

Nog voor hij uitgesproken was, kwam Judas eraan, een van de twaalf, in gezelschap van een met zwaarden en knuppels bewapende bende, die door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten was gestuurd. Met hen had zijn verrader een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Degene die ik kus, die is het. Neem hem gevangen en voer hem weg onder strenge bewaking.’ Toen hij eraan kwam, liep hij recht op Jezus af, zei: ‘Rabbi!’ en kuste hem. Ze grepen hem vast en namen hem gevangen. Een van de omstanders trok een zwaard, ging de dienaar van de hogepriester te lijf en sloeg hem een oor af. Jezus zei tegen hen: ‘U bent er met zwaarden en knuppels op uit getrokken om mij te arresteren, alsof ik een misdadiger ben! Dagelijks was ik bij jullie in de tempel om onderricht te geven, en toen hebben jullie me niet gevangengenomen; maar dit gebeurt omdat de Schriften in vervulling moeten gaan.’ Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg. Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg.

STILTE

GEDICHT

Hier
op deze plek,
in dit woud van verwarring
vraag ik jullie
waak met mij

Hier
in deze tuin
waar alles anders is
dan anders
ben ik alleen

Hier
stil geworden
zoek ik mijn Vader
zijn wil geschiede

is dit zijn wil?

Hier
ben ik

Waar
zijn jullie?

GEBED

Voor Hij de dood inging, God,
heeft Hij, uw lieve Zoon,
door het delen van brood en wijn
zijn mensen deelgenoot gemaakt
van zijn overgave aan U
en zijn verbondenheid met ons.
Laat ons in dit geheim
steeds opnieuw een bron vinden
van liefde en leven in overvloed.
Amen.

(Gebed uit: Dienstboek Deel I)

ZEGEN

De Eeuwige zal je zegenen en behoeden;
de Eeuwige zal zijn lichtend gelaat over je
doen schijnen en je genadig zijn;
de Eeuwige zal je zijn gelaat toewenden
en je vrede geven. Amen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s