Dag 21 – Hoe vaak moet ik het nog zeggen?

‘De mens lijdt vaak het meest, door ’t lijden dat hij vreest, en dat nooit op komt dagen.’ Wie kent deze regels niet? Ik moest eraan denken bij de lezing van vandaag. Want ja… wat zijn we toch goed in ons zorgen maken.

Beluister hier de gesproken versie (met gezellige regen op de achtergrond):

OPENING

Gezegend zijt Gij, God,
koning der wereld,
die de morgen ontbood
en het licht hebt geroepen,
zegen ook mij
met uw licht!

LIED

In de bloembol is de krokus,
in de pit de appelboom,

in de pop huist een belofte:
vlinders fladderen straks rond.
In de koude van de winter
groeit de lente ondergronds,
nog verborgen tot het uitkomt,
God ziet naar de schepping om.

(Lied 982 / Tekst: Natalie Allyn Wakeley Sleeth / Vertaling: Andries Govaart / Uitgevoerd door: Elise Mannah)

LEZING

Marcus 8:1-21
Toen er op een keer weer een grote menigte bijeen was, en ze niets meer te eten hadden, riep hij de leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en hebben niets meer te eten. Als ik hen met een lege maag naar huis stuur, zullen ze onderweg bezwijken; sommigen zijn immers van ver gekomen.’ Zijn leerlingen antwoordden: ‘Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?’ Hij vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’ ‘Zeven,’ antwoordden ze. Hij zei tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten; hij nam de zeven broden, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen om ze aan de mensen uit te delen, en dat deden ze. Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich; hij sprak er het zegengebed over uit en zei dat ze ook de vissen moesten uitdelen. De mensen aten tot ze verzadigd waren; de leerlingen haalden op wat er van het eten overschoot: zeven manden vol. Er waren ongeveer vierduizend mensen. Toen stuurde hij hen weg.
Meteen daarna stapte hij met zijn leerlingen in de boot en voer naar het gebied van Dalmanuta. Daar kwamen de farizeeën op hem af, en ze begonnen met hem te discussiëren. Om hem op de proef te stellen, verlangden ze van hem een teken uit de hemel. Jezus slaakte een diepe zucht en zei: ‘Waarom verlangt uw soort mensen een teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden!’ Hij liet hen staan waar ze stonden, stapte weer in de boot en voer naar de overkant. De leerlingen waren vergeten genoeg brood mee te nemen; ze hadden maar één brood bij zich in de boot. Hij waarschuwde hen: ‘Pas op, hoed je voor de zuurdesem van de farizeeën en voor de zuurdesem van Herodes.’ Ze hadden het er met elkaar over dat ze geen brood hadden. Toen hij dit merkte, zei hij: ‘Waarom praten jullie erover dat je geen brood hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet? Weten jullie dan niet meer hoeveel manden vol stukken brood jullie hebben opgehaald toen ik vijf broden brak voor vijfduizend mensen?’ ‘Twaalf,’ antwoordden ze. ‘En toen ik zeven broden brak voor vierduizend mensen, hoeveel manden vol stukken brood hebben jullie toen opgehaald?’ ‘Zeven,’ antwoordden ze. Toen zei hij: ‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’

STILTE

REFLECTIE

Het is pijnlijk hoezeer ik me herken in de leerlingen van Jezus. Ze hebben twee keer het ontzaglijke wonder van de broden meegemaakt, en vervolgens maken ze zich toch nog druk of ze wel genoeg eten bij zich hebben. Ondanks alle overvloed die ze hebben gezien, blijven ze toch in tekorten denken.

Het lijkt op wat men zegt over ons brein: dat we veel makkelijker kritiek onthouden dan een compliment. Die ene venijnige opmerking blijft wekenlang of soms wel een leven lang met ons meegaan – terwijl we prachtige complimenten soms de dag erna alweer vergeten zijn.

We zijn gewoon heel erg goed in ons zorgen maken. Over of we wel genoeg zullen blijven hebben, al is er vandaag niets aan de hand.

Het lijkt Jezus te verbazen. Hij wordt er kribbig van. Hoeveel moet ik dan nog doen, lijkt hij zich af te vragen. Hoe vaak moet ik het nog zeggen? Dringt het ooit tot ze door? Als ik bij jullie ben, dan is er geen tekort. Dan is er altijd genoeg!

Hoe moeilijk is het, dat te geloven en je vertrouwen te vestigen op God. En hoe makkelijk is het, om te kijken naar alles waar je bang voor bent en ’s nachts wakker te liggen van de malende gedachten.

Voor mij betekent dat vertrouwen op God niet dat er nooit een probleem of gebrek of verdriet is, maar wel: dat een dragende liefdevolle aanwezigheid mijn hele leven doortrekt, zelfs in periodes van groot tekort.

GEBED

Gij, die barmhartig
naar mensen omziet,
verhoor onze gebeden
en doe mensen en volkeren
samengroeien tot uw volk.
Laat uw Woord
ons hoopvol doen leven met elkaar
en de wereld maken
tot een bewoonbaar huis voor allen,
in deze veertig dagen en heel ons leven.
Amen.

(Gebed uit: Dienstboek Deel I)

ZEGEN

De Eeuwige zal je zegenen en behoeden;
de Eeuwige zal zijn lichtend gelaat over je
doen schijnen en je genadig zijn;
de Eeuwige zal je zijn gelaat toewenden
en je vrede geven.
Amen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s